Wroeten in de aarde

Toen ik twee jaar geleden naar Suburbia verhuisde, had ik opeens de beschikking over een tuin. Jaren had ik het moeten doen met een balkon op het noorden, waar de mossen welig tierden en waar precies twee volle vuilniszakken op pasten. Was er een week waarin we meer afval hadden geproduceerd, dan hadden we een probleem. Wellicht was dit de jaren vijftig-manier om het afvalvolume te beperken, wie zal het zeggen.

Een tuin! Geweldig! Vol goede moed begon ik met slopen. Alle rare donkergroene struiken en coniferen eruit. Ik zag een tuin voor me vol bloemen, waar vlinder en vogels op en aan vlogen, waar egels in een hoekje kwamen schuilen, en dan het hele jaar door graag. Ik wilde bomen erin, struiken met geurende bloesems in het voorjaar en decoratieve bessen in de herfst en misschien zelfs een kleine vijver. De moeite die het me kostte om de coniferen uit de kleigrond los te bikken, had me moeten waarschuwen. Maar ik was eigenwijs en zette door.

Enthousiast plantte ik alle stekjes die ik van iedereen kreeg.  Vrouwenmantel (een bodembedekker! ), vingerhoedskruid (hoef je niets aan te doen! zaait zichzelf uit! En dan wel door je hele tuin) en ooievaarsbek met mooie roze bloemen (twee weken per jaar, maar dat zei de gulle gever er niet bij).

Ik wachtte vol spanning de herfst af, toen de winter en toen kon ik opnieuw beginnen met bikken. Bossen vrouwenmantel rukte ik uit, massa’s vingerhoedskruid wrikte ik los, zelfs tussen de stoeptegels, en de ooievaarsbek heb ik na twee jaar ellende maar helemaal uit de tuin verbannen. Zo ontdekte ik een belangrijke tuinwet: neem geen tuinplanten aan die worden weggegeven. Het zijn woekeraars.

Ik besloot het nu beter voorbereid aan te pakken. Ik las tuinboeken, bekeek tuinwebsites en nam tuintijdschriften door. Iedereen juichte daarin hoe fantastisch en rustgevend tuinieren was, hoe gezond en weldadig en hoeveel beter dan andere hobby’s. Ik plantte, zaaide, stekte en wiedde dat het een lieve lust was. Toen ik na een half jaar last kreeg van een tennisarm door het uittrekken van de hardnekkige haagwinde die mijn voortuin overwoekerde, kon ik maar één conclusie trekken. Tuiniers zijn niet goed bij hun hoofd. Ze willen sterker en slimmer zijn dan de natuur en dan is het natuurlijk een kwestie van tijd voor je je nederlaag lijdt.

Sindsdien heb ik de planten zelf de oorlog in mijn tuin laten uitvechten. De ene kant van mijn tuin staat vol met maagdenpalm, met her en der vingerhoedskruid ertussen. De andere kant is veroverd door de vrouwenmantel. En zo laat ik het. Dit is kennelijk was de natuur voor heeft met mijn tuin.

Zo af en toe blader ik nog wel eens door een tuinboek of neus ik in een tuintijdschrift. Ik bekijk vooral de plaatjes en denk dan: ‘Goh mooie tuin. Hoeveel spierpijn zou je daarvan krijgen?’ Vorige week nam ik zomaar een tuinboek uit de bibliotheek mee: ‘Het jaar van de tuinier’ van de Tsjech Karel Čapek. En tot mijn verbazing bleek dit het eerste tuinboek dat ik las dat vertelde hoe het écht is, dat getuinier.

Čapek beschrijft hoe een tuinier het jaar doorkomt: in januari vervloekt hij de temperatuur die vijf graden te hoog dan wel te laag is, in februari probeert hij met veel moeite zaailingen op te kweken die als slappe taugéslierten in hun potje blijven hangen, in maart gaat hij als een razende tekeer omdat de grond nog steeds bevroren is terwijl hij wil hakken en snoeien en zo verder. Hij probeert de perfect zaaigrond te maken door zand te vermengen met gemalen marmer – maar weet niet hoe hij daar aan moet komen -, hij zaait gras maar ziet alleen onkruid omhoog schieten en als zaaien één keer wel lukt zit hij opeens met twee meter hoge distels waar hij geen plaats voor heeft.

Ik dacht dat tuinieren een hobby was voor de postmoderne, verveelde westerse consument die niets beters te doen heeft. Een beetje de strijd om het bestaan nabootsen zonder echt ontberingen te hoeven doorstaan. Niets van waar, bewijst Čapek. Hij schreef zijn ongelooflijk grappige boek al in 1929. Een aanrader, voor iedereen die van tuinieren houdt en misschien nog wel meer voor degenen die er niets van moeten hebben.

Eén antwoord op “Wroeten in de aarde”

  1. een tuin ok, maar tuinieren laat ik toch liever over aan mijn vriend , als hij teveel binnen zit . Echt een mannenjob toch! alhoewel ik graag in mijn bikini het gras afrijd! daar wordt je dan nog bruin van ook haha.
    2taken in 1 , ideaal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *