Sloot

Hij stond aan de overkant van de sloot, ik bleef staan om naar hem te kijken. Hij was al wat ouder, maar waardig oud geworden was hij niet. Zijn grijze jas was rafelig, verschoten, hij zag er morsig uit. Alleen zijn zwarte kraalogen glommen.

Hij keek zonder blozen terug, zijn hoofd schuin, zijn ogen priemend, bijna beschuldigend.

Zijn slachtoffer leefde nog, hij vocht, bewoog woest heen en weer, zwiepte met zijn kop door de lucht. Hij had nog zin in het leven. Het had te kort geduurd. Maar zijn bewegingen werden trager, stroperiger, het leven vloeide er langzaam uit. Aan zijn lichaam was niets te zien. Dat bleef glinsteren in de zon, een zilveren harnas.

Ik vroeg me af wat hij ging doen. Hoe lang zou hij zo blijven staan, zijn slachtoffer laten worstelen, langzaam afscheid laten nemen van het leven?

Als een standbeeld stond hij, doodstil, tot hij opeens zijn slachtoffer op de grond liet vallen en meteen daarna zijn hoofd met kracht naar beneden bewoog. Hij doorboorde zijn slachtoffer met één goed gemikte, krachtige steek.

Daarna nam hij hem opnieuw in dezelfde houdgreep. Er droop bloed op de plaats van de steek, het was rood, net mensenbloed. Het lichaam bewoog niet meer, het hing levenloos en slap, ontzield. Het was dof geworden, de glinstering verdwenen.

Even wachtte hij nog, of hij het echt zeker wilde weten. Toen gooide hij hem omhoog, niet te hoog, voorzichtig, goed gemikt, als een pizzabakker die het uitgerolde deeg omhoog gooit en weer opvangt. Hij wierp zijn hoofd in de nek, opende zijn bek en liet het slachtoffer naar binnen glijden. Het paste niet. Het was te lang. De staart bleef eruit steken, rechtop, fier omhoog.

‘Oooh,’ zei een vrouw die naast me was komen staan. Het klonk verontwaardigd, maar ook een beetje opgewonden.

Zo stond hij daar, hoofd in de nek, open mond, driekwart van zijn slachtoffer in zijn keel, de rest nog in de lucht. Ik keek naar zijn keel, ik zag het slachtoffer zakken, naar zijn maag. Het ging langzaam, heel erg langzaam. Hij kauwde niet, hij liet het alleen maar zakken. Zo proef je dus niets, dacht ik. Ook zonde. Het leek eindeloos te duren, dat zakken en opslokken, zijn keel zag er dik uit, alsof het slachtoffer zelfs op het allerlaatst nog terug wilde vechten door hem dwars te zitten, een letterlijke brok in de keel.

Hij deed zijn bek weer dicht, wierp nog één boze blik in onze richting en vloog weg, traag, met moeizame bewegingen. Als een vliegtuig dat te zwaar was beladen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *