Schoenen

J. heeft nieuwe schoenen. Niet zomaar schoenen. Laarzen zijn het, hoge zwarte laarzen, met riempjes met gespen erop die rinkelen bij elke stap die ze zet. Het lijken wel motorlaarzen. Ordinair, zou mijn moeder zeggen. Als ik om haar mening zou vragen.

J. is heel blij met haar nieuwe schoenen. Ze kijkt in elke ruit waar ze langs loopt naar haar spiegelbeeld en slaakt dan een zucht van verrukking.

Kinderschoenen zijn al mijn hele leven problematisch, al toen ik ze zelf nog droeg. Mijn moeder geloofde heilig in goede schoenen, voor mijn gezondheid. Goede schoenen betekende dure schoenen. En vooral lelijke schoenen. Donkerbruin of beige, met een plompe neus en een heel dikke zool, nog breder dan de schoen zelf. Nooit gekleurde schoenen, nooit gymschoenen en al helemaal geen ordinaire schoenen zoals de andere meisjes in mijn klas droegen. Ik hoefde er niet eens naar te wijzen.

Het eerste paar kinderschoenen dat ik als volwassene kocht, toen O. net kon lopen, was ook goed en duur. Daarna las ik een artikel waarin een kinderarts uitlegde dat goedkope schoenen net zo goed zijn als dure en sindsdien ga ik met blij gemoed naar de schoenenstunter.

Tot maat 25 gaat het nog wel. Daarna beginnen de problemen. De schoenenstunter heeft namelijk niet alleen goedkope schoenen. De schoenenstunter heeft vooral ordinaire schoenen.

‘Die wil ik,’ lispelt J. als we in de schoenenstunter staan voor het schap met haar maat. Het is altijd heet in de schoenenstunter, bloedheet. Zomer en winter.

J. wijst op een paar open schoenen, zwart met zilver, fel glimmend.

‘Niet voor de winter,’ zeg ik streng. ‘Dat is onpraktisch.’

Ik pak een paar schoenen uit de kast. Het zijn hoge gymschoenen van leer, paars met zilver. Ze voelen stevig aan. Het is het enige normale paar schoenen dat ik zie staan in haar maat.

‘Wat vind je van deze?’ vraag ik opgewekt. ‘Dit vind ik nou leuke schoenen.’

‘Ja jij,’ moppert J. Ze pakt een paar zwarte laarzen uit de kast. Ik kijk eens goed naar de onderkant. De laarzen hebben een enorme blokhak.

‘Geen hak,’ verordonneer ik. ‘Dat is niet goed voor je rug.’ Ik weet niet of dat waar is, maar het klinkt goed.

‘Maar P. en O. en K. hebben wel schoenen met hakken,’ zeurt ze door.

‘Geen schoenen met hak!’ bulder ik nu. Verschillende gezichten draaien zich in mijn richting.

‘Dan hoef ik niks.’

‘Dan loop je maar op je sokken,’ treiter ik terug. ‘Zal wel koud zijn.’

Tien minuten hadden we nodig. Toen zijn het de rinkelende laarzen met gespen en riemen geworden. Ordinair, heel ordinair. Maar ze hebben geen hak. En ze waren heel goedkoop.

Dat is dan weer het voordeel van ordinaire schoenen. Erg gunstig voor je portemonnee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *