Middelaardig

Er zijn moeders die niet alleen hun eigen kinderen, maar ook die van anderen opvoeden. Dan zeggen ze: ‘En wat zeg je dan?’ Of: ‘Wij zeggen hier altijd goedemiddag!’ Ze leggen aan een vriendje van hun kind uit dat het niet goed is om brutaal te zijn. ‘Ik kan daar wel tegen,’ zeggen ze dan, ‘maar als je dat bij iemand anders doet, kan je daar  last mee krijgen. Niet iedereen is zo tolerant als ik.’

Ik doe dat niet. Ik ben reuzevoorzichtig. Ik zeg bijna nooit iets tegen kinderen die hier over de vloer komen. Ik grijp ook bijna nooit in.

Dat doe ik niet omdat ik zo graag wil dat al die kinderen mij aardig vinden. Dat interesseert me niet echt. Nee, ik doe het voor mijn kinderen. Ik wil niet dat mijn kinderen impopulair worden door mij. Dat hun vriendjes en vriendinnetjes hier niet willen komen spelen omdat ik zo stom ben. Omdat ik steeds commentaar geef en streng ben en van alles verbied. Of omdat ik hen steeds vertel hoe ze zich moeten gedragen. Je moeten schamen voor je moeder, dat is wel een van de ergste dingen die je als kind kan gebeuren.

Ik verkeerde in de naïeve veronderstelling dat mijn aanpak succesvol was. Er stromen hier bijna wekelijks vele kinderen binnen. Ik ben populair, mijn kinderen zijn populair, dacht ik tevreden.

Tot J. laatst aan mij vroeg: ‘Weet je wat ik aan K. heb gevraagd?’

‘Nou?’ antwoordde ik.

Ik was niet eens nieuwsgierig. Het zal wel over een verjaardagsfeestje gaan, dacht ik. Of over een jongen op wie ze allebei verliefd zijn.

‘Ik vroeg’, ging J. verder, ‘vind je mijn moeder aardig of stom? En weet je wat K. zei?’

Ik keek J. verwachtingsvol aan. Ook al weet je dat je goed zit, het is altijd fijn om bevestigd te worden.

‘K. vindt jou middelaardig. En mag ik nog een snoepje?’

‘Middelaardig? Wat is dat nou weer?’

‘Dat is tussen heel aardig en niet aardig in,’ antwoordde J., nu licht geïrriteerd. ‘En mag ik nou nog een snoepje?’

Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Waarom vindt K. mij middelaardig? Waarom vindt ze me niet heel aardig?’

J. haalde haar schouders op.

‘Heb je dat niet gevraagd?’ riep ik uit. ‘Waarom niet?’

‘Waarom wel?’ vroeg J. verbaasd.

‘Dat mag ik toch wel weten, waarom ze me maar middelaardig vindt? En waarom niet heel aardig?’

‘Middelaardig is toch ook goed?’ vond J.

‘Je gaat morgen op school aan haar vragen waarom ze me middelaardig vindt,’ zei ik streng. ‘En dan vraag je ook meteen wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat ze me heel aardig vindt.’

‘Alleen als ik nu nog een snoepje mag. Anders vraag je het zelf maar.’

Ik weet nog steeds niet waarom K. mij slechts middelaardig vindt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *