Mama

Omdat ik moderne, progressieve ouders had, sprak ik ze aan bij hun voornaam. En met je. Dat was een tijdlang mode, in bepaalde kringen, om je door je kinderen met de voornaam te laten aanspreken. Dat was modern en progressief. Dan liet je zien dat je niet autoritair en machtsbelust was. Niet ouderwets, niet rechts en niet slecht.

Mijn vriendinnen op de dorpsschool deden dat niet. Die zeiden allemaal papa en mama, of als ze wat ouderwetser werden opgevoed, pa en ma. Ze zeiden wel je. Niemand zei u.

Laatst kwam ik een familie tegen waarvan de kinderen u zeiden tegen hun ouders. Het was een aardige familie, ik kreeg niet de indruk dat de kinderen slaag kregen noch dat ze dwangarbeid moesten verrichten of wel eens voor straf buiten moesten slapen en toch heb ik met open mond staan kijken. Ik wist niet dat het nog voorkwam, kinderen die u zeiden tegen hun ouders. Ik dacht dat dat in Nederland al meer dan honderd jaar was uitgestorven.

Omdat ik conservatiever ben dan mijn ouders – elke generatie heeft tenslotte recht op zijn eigen dwaalleer-  laat ik me aanspreken met mama. Ik wil niet dat ze me bij mijn voornaam noemen. Waarom weet ik eigenlijk niet eens precies. Het voelt gewoon niet goed. Ik ben hun vriend niet, maar hun strenge doch rechtvaardige opvoeder, zoiets. Het is ook al lang niet meer modieus en progressief om je bij de voornaam te laten noemen, dat speelt vast ook mee. De meest voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat ik me zelfs op mijn leeftijd nog wil afzetten tegen mijn ouders.

Ik heb er wel eens wat over gelezen, over hoe mensen zich door hun kinderen laten noemen. Mensen die voor de voornaam kiezen, leggen vaak de nadruk op gelijkwaardigheid. Ze vinden zichzelf niet beter dan hun kinderen. Er zijn ook mensen die per se mama of papa willen worden genoemd. ‘Een eretitel’ noemen ze dat dan. Of ze zeggen: ‘er zijn maar twee mensen op de wereld die me zo kunnen noemen’.

Over ma heb ik trouwens nog nooit gedacht. Geen seconde. Ik als ma? Om met ma te kunnen worden aangesproken moet je voor 1960 zijn geboren, anders is het te laat. Zo simpel is dat.

Maar het leuke is, als je kinderen krijgt, dat je kinderen niet de enige kinderen zijn die jou aanspreken. Ze krijgen vriendjes en vriendinnetjes en die gaan ook tegen jou praten. Mijn ouders probeerden mijn vriendinnen vroeger ook over te halen hen met de voornaam aan te spreken. Zeg maar P., zei mijn moeder dan. Of ik heet W., zei mijn vader. Maar mijn vriendinnen bleven volhardend weigeren. Er was maar één manier waarop wij vroeger ouders van andere kinderen aanspraken. We zeiden eerst de naam van het betreffende kind, en daarachter plakten we ‘ze moeder’. Zo kreeg je dus:

‘Erik ze moeder’

‘Monique ze moeder’

‘Saskia ze moeder’

Tijden veranderen. Er is tot nu toe niet één kind geweest dat mij heeft aangesproken als O. ze moeder. Of als J. ze moeder. Moderne kinderen zeggen allemaal papa en mama tegen hun eigen ouders, maar alle andere ouders spreken ze gewoon aan met de voornaam.

Ik probeer het nog wel, af en toe. Dan zeg ik: zeg maar gewoon J. ze moeder hoor. Of: ik heet O. ze moeder. Maar nee. Nog voordat ik uitgesproken ben, beginnen O. en J. al hard te gillen. ‘Let maar niet op mijn moeder hoor! Ze heet gewoon L. en ze denkt dat ze grappig is.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *