De middelbare

O. gaat naar ‘de middelbare’ volgend jaar. Vroeger heette dat gewoon middelbare school. Ik begrijp niet waarom het laatste woord eraf is gevallen. Ik kan er ook maar moeilijk aan wennen. Net zoals ik niet kan wennen aan ‘naschoolse’ in plaats van ‘naschoolse opvang’.

Maar van de ‘naschoolse’ is O. allang af. O. kan voor zichzelf zorgen na schooltijd. Die hoeft niet meer met andere kinderen aan tafel limonade te drinken, koekjes te eten en spelletjes te doen. Dat is geweest. Het is nu tijd voor de ‘middelbare’.

Ik kan eigenlijk helemaal niet aan het woord wennen. Ik blijf er maar op kauwen. Wat nou middelbare? Ik zeg toch ook niet Openlucht zonder Zwembad? Of Tweede zonder Kamer?

Maar als ik heel eerlijk ben, is het iets anders waar ik niet aan kan wennen. Tot nu toe vond ik het best makkelijk, kinderen hebben en ze een beetje opvoeden. Ik deed gewoon maar wat. Soms twijfelde ik even, maar dan haalde ik vrij snel mijn schouders weer op. Ik kon goed leven met het feit dat ik als moeder niet perfect was. Scheelt een hoop frustratie en gedoe. En het leek te werken. Als er één ding was wat mijn kinderen van mij leken over te nemen, was het wel mijn laconieke houding. ‘Niet zo erg,’ hoorde ik ze vaak zeggen. ‘Komt wel goed.’ Kijk, dacht ik dan tevreden, ze leren zelfs nog wat van mij ook.

Dat is allemaal weg. Ik twijfel, ik wik, ik weeg, ik dub, ik aarzel en als ik dan een keuze heb gemaakt, begin ik een uur daarna opnieuw met twijfelen, wikken, wegen, dubben en aarzelen.

Dat getwijfel is begonnen toen de keuze van een ‘middelbare’ in zicht kwam. Wat was het beste voor O.? Het Nieuwe Leren? Een klassikale school? Eén met veel begeleiding bij huiswerk? Een strenge? Een vrije? Een sportieve? Een culturele? En dat waren niet eens alle vragen die ik moest beantwoorden. Elke mogelijke keuze bracht nieuwe vragen met zich mee. Een school in de stad? Een school daar buiten? Een witte school? Een zwarte school? Een kakschool? Een school vol boeren? Een school waar klasgenoten naar toe gaan? Een school waar ze alleen een nieuwe start kan maken? Maar tien minuten hoeven fietsen? Of een half uur door de weilanden?

Met een hoofd vol vragen liep ik naast O. rond op open dagen. Zou O. zich hier thuis voelen? Zou ze hier vriendinnen maken? Zou ze hier genoeg leren? Zou ze hier het beste af zijn? Zou ze zich hier goed kunnen ontwikkelen? Zou er hier uit komen wat er in haar zat?

Daar begon het mee, met die vragen rond de ‘middelbare’. En toen kwamen er opeens, zomaar, allerlei andere vragen. Wat zat er eigenlijk in haar? Had ik haar wel genoeg gestimuleerd? Had ik haar niet te veel laten aanrommelen? Had ik haar meer moeten aanbieden, haar moeten dwingen kennis te nemen van cultuur, boeken, muziek, kunst, de wereldpolitiek? Had ik haar te kort gedaan door haar niet te pushen? Had ik te vaak, te veel gezegd ‘niet zo erg’?

Toen kwam O. naar me toe. School B moest het worden. ‘Weet je het zeker?’ begon ik. ‘Vond je A niet ook leuk? Die hadden erg hoge eindexamencijfers. Of wil je niet naar C? Dan hoef je minder ver te fietsen.’ O. keek me glimlachend aan. ‘Maak je niet zo druk, het komt wel goed.’ In nog grotere vertwijfeling bleef ik achter. Wie leerde hier nou van wie?

Ik vulde het aanmeldingsformulier van school B in en deed het op de post. ‘Je wilt niet liever naar A?’ ‘Maham,’ zei O. alleen maar. Toen haalde ze haar schouders op.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *