Lapzwansen

Er zijn avondmensen en ochtendmensen. Avondmensen komen ’s avonds pas op stoom. Na het avondeten, of nog beter, na de koffie na het eten, fleuren ze op. De hele dag leven ze met een mist in hun hoofd, een hoop watten die hen het denken belemmert. En dan, als de zon onder is, de gordijnen dicht en de kachel nog eens flink wordt opgepookt, komen ze eindelijk tot bloei.

Geweldige grappen, interessante one-liners, oplossingen voor het dreigend olietekort, de remedie voor het integratievraagstuk en briljante manieren om de hele wereldbevolking in één klap te verlossen van al het lijden: het komt er allemaal uit, ’s avonds.

En dat niet alleen. Het is ook nog eens hartstikke gezellig, een avond met een avondmens. Als je begint te gapen en zegt dat je er de volgende dag vroeg uit moet, zegt de avondmens: ‘Ah joh, je kunt best met weinig slaap toe. Dat zie je morgen wel weer.’ Of: ‘wat maakt het uit, nu is het gezellig. En je baas merkt het toch niet als je zit te suffen. Je doet gewoon net of je werkt en ondertussen slaap je een beetje bij.’ En dan schenkt de avondmens iets lekkers te drinken in, zet nog eens een leuk muziekje op en vertelt weer verder wat hij heeft bedacht over auto’s die kunnen rijden op bietsuiker.

Ochtendmensen zijn niet zo. Die zijn overdag helder. Dan hebben ze geen watten of mist in hun hoofd. Ze zijn helder, kraakhelder. Helder genoeg om nauwkeurig en accuraat hun werk te doen, zonder fouten, zonder vergissingen, precies, zoals het hoort en zoals het wordt voorgeschreven.

En ’s avonds zijn ochtendmensen moe. Omdat ze zo hard hebben gewerkt. Dan is hun motor leeg en dan willen ze vroeg naar bed. Niet gezellig muziek opzetten en bespreken hoe de ellende in de wereld in vijf eenvoudige stappen kan worden opgelost. Nee, vroeg hun bed in zodat ze er ’s ochtends weer fris en vol goede moed uit kunnen stappen, klaar voor een nieuwe dag die ze vol energie te lijf gaan. Liefst om een uur of 6 staan ze op, ochtendmensen. Dan gaan ze eerst nog even sporten, of yoga doen, of de krant spellen, of het woordenboek uit hun hoofd leren. En als het koud is en vriest gaan ze schaatsen, om 6 uur ’s ochtends, in het donker, in de snijdende wind. Dat vinden ze lekker, ochtendmensen. Want iets masochistisch hebben ze wel.

Misschien is dat wel het grootste onderscheid tussen avondmensen en ochtendmensen. Ochtendmensen zijn nuttig. Kwiek. Daadkrachtig. Energiek. Fit. Bruisend. Avondmensen zijn lapzwansen. Uitvreters. Rommelaars. Luilakken.

Het vervelende van avondmens zijn is dat je er op den duur een beetje moe van wordt. Steeds zo laat naar bed gaan en dan maar weer die wereldproblematiek oplossen. Daarom had ik me voorgenomen om maar eens op te houden met dat avondmensengedoe en wat eerder naar bed te gaan. Op een nette tijd. Half 11 bijvoorbeeld.

Het was moeilijk, heel moeilijk. Maar ik deed het. Dapper. En verrek, ik voelde me een stuk fitter overdag. Energieker. Er kwam meer uit mijn handen. Misschien, dacht ik, moet ik maar eens proberen een keurig, nuttig ochtendmens te worden. Misschien moet ik eindelijk mijn verantwoordelijkheid eens nemen en een verantwoord bestaan gaan leiden.

Tot vanochtend. Om half 7, het was nog donker in de slaapkamer, was ik wakker. Klaarwakker. Zo wakker dat ik fit genoeg was om op te staan.

Dat deed ik natuurlijk niet, want ik ben geen ochtendmens die om half 7 ’s ochtends halfnaakt buiten in de tuin gaat staan mediteren. Ik bleef liggen. En ik verveelde me. En ik besloot: vanavond toch maar weer laat naar bed. Misschien vind ik vandaag echt de oplossing voor de wereldproblematiek!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *